Bijna niemand vloog, maar hij steeg op.
Zij dansten op de rand. Alles was toch onzin. Hij liep met zijn hoofd in de wolken. Hij dacht dat het leven een feest was. Langzaam zonk hij. Strandpret. Depressie. Allemaal lust. Meditatie. Zij lieten hun hoofd hangen…
Plaats een aantal titels van de schilderijen en etsen van Gerrit Alberts achter elkaar en als vanzelf ontstaat het begin van een verhaal. Al gaan de titels over zeer uiteenlopende thema’s - vrolijk en somber, hard en zacht, dromerig en concreet - toch is er voelbaar eenheid in het verhaal aanwezig, een toon van melancholie en verlangen, maar met een krachtige ondertoon van ironie en relativering.
Titels, thema’s en een toon maken echter nog geen schilderij, en een verhaal is nog geen beeldende kunst. Het gaat erom hoe de kunstenaar zijn thema’s verbeeldt. En dat doet Gerrit Alberts op een zeer eigen manier, in een sterke, herkenbare stijl. Al vindt hij de titels zo belangrijk dat hij ze zelfs opneemt in het werk, het beeldend werk stijgt steeds boven de woorden uit. De technieken die hij toepast, zijn kleurgebruik, com- posities en vormentaal resulteren in werk dat de titels zonder meer beeldend waarmaakt.
Dat zien we als we om te beginnen kijken naar de personages die de schilderijen en etsen van Alberts bevolken. Het zijn grote, op het eerste gezicht zware gestalten. Teruggebracht tot hun essentie - sober maar krachtig verbeeld - nemen ze in een paar lijnen en vlakken hun plaatsen in, robuust, het hele beeldvlak dominerend, in een- voudige, doeltreffende composities. Soms is de compositie symmetrisch, soms behelst ze de beweging van één grote beelddiagonaal of spiraal, soms is de figuur in rust, maar steeds is de compositie in evenwicht.
Als we de verbeelde personages onze aandacht schenken, komen ze direct tot leven met onvermoede kracht. Al hebben ze geen ogen, oren, monden of neuzen, toch zijn het wel degelijk individuen. En al bestaan ze maar uit een paar lijnen, ze blijken soepel te kunnen bewegen en tonen een grote verscheidenheid aan emoties, erva- ringen en stemmingen. Ze stralen een zekere verlegen of soms wat aarzelende afstand tot de wereld uit, maar het is juist die aarzeling, die afstand, die ze aimabel maakt, vertederend en vertrouwd, en die ervoor zorgt dat het werk steeds de juiste balans vindt tussen de expressie van intense emotie en een bevrijdende, relativerende humor die die emotie draaglijk maakt. Het is geen harde gesloten afstandelijkheid, maar er zit het genieten van de beschouwer in, de beschouwer die weet dat hij misschien klein is en niet in het flitsende middelpunt staat, maar die daar ook niet echt naar streeft. Het gaat er niet om, om mee te vliegen met de rest, maar het gaat erom, stevig in de werkelijkheid te staan, dan kun je dromen, verlangen, voelen en daar vervolgens om lachen als het te zwaar dreigt te worden - en het is juist die houding of intensie, die veel van de werken van Alberts ken-merkt, die ervoor zorgt dat de beelden uiteindelijk toch de zwaartekracht over- winnen en wel degelijk moeiteloos boven zichzelf uitstijgen.
|